Recensies kinderfilosofie

Denken, durven, doen! – Kinderlogica in Pakhuis de Zwijger

Kinderlogica-Pakhuis-de-Zwijger

Denken, durven, doen!

Bijeenkomst rondom het boek ‘Kinderlogica’ van Sabine Wassenberg in
Pakhuis de Zwijger op 19 september ’17.

Terwijl iedereen het heeft over de 21st-century-skills lijkt het vermogen om helder te leren denken soms bijna prehistorisch in het onderwijs van tegenwoordig. In het boek ‘Kinderlogica’ neemt Sabine Wassenberg ons mee in haar ervaringen als filosofiedocent op multiculturele basisscholen.
De op waarheid gebaseerde gesprekken, verhalen en gebeurtenissen die omschreven zijn in het boek gaan in op hedendaagse vraagstukken:
– Wat is burgerschap?
– Zijn we allemaal gelijk?
– Wat is het verschil tussen geloof en wetenschap?
– Wat is een cultuur?
– Moet je voor iedereen respect hebben?
– En mag je zelf kiezen van wie je houdt?

Tijdens de editie van Urban Books op 19 september in Pakhuis de Zwijger wordt er gesproken over waarom filosofie op elke school thuis hoort en wordt het heldere denken in zijn tijd geplaatst. 
Een belangrijke vaardigheid voor kinderen in de 21e eeuw. 
Na een korte presentatie van de ervaringen van Sabine Wassenberg gaat zij in gesprek met o.a. basisschooldocent Vidya Dunki Jacobs (OBS de Burght), Siela Ardjosemito-Jethoe (docent, onderzoeker en trainer diversiteit en beleidsmedewerker ministerie van OCW) en Fransicus Ismaël Kusters (oprichter van Insight Philosophy, docent filosofie in het VO en bestuurslid van de Vereniging Filosofiedocenten in het Voortgezet Onderwijs), Sofyan Mbarki (gemeenteraadslid Amsterdam, PvdA) en Henk Sissing (owner WZJ, onderwijsontwikkeling en advies).
Tot zover de inleiding op de site van Pakhuis de Zwijger.

Na de introductie van de gastsprekers verliep het gesprek rond twee vragen:
– Welke rol speelt filosofie in het werk van de gastsprekers?
– Wat is de kracht van filosofie volgens jou?

Enige fragmenten uit het gesprek:

– Wassenberg: “Filosofie maakt je bescheiden ten opzichte van de waarheid.
Je kunt de vraag terug passen en daarmee zelfdenkzaamheid stimuleren”.
Kusters is het hiermee eens: “Door filosofie kun je perspectiefverschuiving veroorzaken, verwarring en onwetendheid in het antwoord veroorzaken.
Een vraag met een vraag beantwoorden”.

Dit is een mooie beeldspraak waarmee Wassenberg de kern van het filosoferen weergeeft:
Wanneer je gezamenlijk filosofeert onderzoek je met elkaar naar wat ‘waar’ is en wanneer iets wel of niet waar is. 
Immers jouw versie van de waarheid kan totaal anders zijn van wat een ander ‘waar’ vindt.
Bovendien, (hoe) kun je weten of je allebei exact dezelfde versie van ‘de waarheid’ kent?
Deze vraag en de uitkomsten zijn alleen al het filosofisch onderzoeken waard.

Je kunt daarbij in het gesprek de wel bekende doorvraagvragen inzetten:
– Hoe weet je dat zo zeker?
– Geldt dat voor alles en iedereen?
– Waarom is dat zo?
– Wat bedoel je daarmee? Etcetera.
Oftewel de vraag terug passen, zoals Wassenberg zegt.

Van het individuele naar het universele

Tijdens het filosofisch gesprek probeer je het individuele (de eigen mening/ervaring) te ontstijgen:
“Ik geloof niet zomaar alles wat op social media geplaatst wordt”.
Maar te zoeken naar het ‘algemene en het universele’: “Wanneer is iets dan waar?”
Je komt dan door elkaar verder in je denken en tilt het gesprek naar een hoger filosofisch niveau.
En dat maakt dat je je bescheiden opstelt ten opzichte van dé waarheid.
Want weet jij het antwoord op de vraag: Wanneer is iets waar?

Hoe past filosofie in het onderwijs?

Daarna verschoof het gesprek meer naar de praktijk. Hoe filosofie is in te passen in het onderwijs, hoe je aansluiting kunt vinden bij de andere vakken en dat leerkrachten die willen filosoferen dit gewoon moeten gaan doen!
 Het primair onderwijs en de onderbouw van het voortgezet onderwijs lenen zich bij uitstek voor filosoferen in de klas omdat het onderwijs nog niet gaat over filosofische feitenkennis.
Filosofie kan door alle vakken heen gebruikt worden (Waarom rekenen we eigenlijk?) en zo vakoverstijgend werken.

– Jacobs: Filosoferen in de les is als leerkracht lastig te doen. Omdat leerkrachten dan naast het vak filosofie ook andere vakken hebben die ze ook moeten geven (rekenen en dergelijke). Dat kost tijd, en daardoor kun je er met je hoofd niet helemaal bij zijn.
 Iemand zoals Wassenberg of een andere gastdocent kan dat beter omdat ze puur met de filosofie bezig is en niet met andere zaken in het onderwijs.
 Maar door filosofie leer je wel de wereld van de kinderen kennen.
En daar is iedereen het er wel mee eens. Door met kinderen te filosoferen leer je ze op een verrassend andere manier kennen. Je leert vooral ‘hoe’ ze denken.

– Kusters: “Draai de vraag eens om: Past het onderwijs in de filosofie?
Als je vanuit de filosofie onderwijst komt de verwondering tot stand en vanuit die verwondering kun je dan de lessen aanbieden”.
Een prikkelende vraag van Kusters waardoor het onderwijs er heel anders uit komt te zien en je meer vakoverstijgend te werk kunt gaan.
 Je kunt bijvoorbeeld vanuit die verwondering een les wiskunde combineren met een les over kunst (wiskundige kunst) en het in het filosofische gesprek hebben over de kunstzinnige benadering van wiskundige basisprincipes.

Wiskundige kunst

Een idee: als je formules vertaalt naar fysieke beelden (wiskundige kunst) wordt wiskunde concreet en ervaar je de schoonheid van een formule. Een formule gaat daardoor leven en krijgt een gezicht. Bovendien kom je door gezamenlijk te filosoferen over wiskundige problemen, misschien wel tot betere oplosssingen en concepten.
En hoe zou een foutieve formule er dan eigenlijk uit zien?
Een vraag die je er ook over zou kunnen stellen is:
– Kan een foutieve formule kunst zijn?

Zo wordt wiskunde wellicht toegankelijker en interessanter voor mensen die denken niet in het bezit te zijn van een wiskunde-knobbel. Filosofie kan als een soort lijm dienen tussen alle vakken. Een methode om dezelfde kennis op een andere manier tot je te nemen.

– Sissing: Het is wetenschappelijk onderzocht dat goede persoonlijke ontwikkeling bijdraagt in het succes in het leven en in carrière. Filosofie maakt onderdeel uit van deze algemene ontwikkeling. Persoonsvorming heeft wat Sissing betreft dan ook de toekomst.

Drempels om te gaan filosoferen met kinderen

In het gesprek kwam verder naar voren dat er een bepaalde angst en onzekerheid heerst in het onderwijs om ‘het’ te gaan doen, waardoor leerkrachten er niet aan durven te beginnen.
Er werden nogal wat obstakels en moeilijkheden gezien die eerst moesten worden overwonnen. Of dat je tenminste moet weten hoe je daarmee omgaat voordat je aan een filosofisch gesprek begint. Dat leerkrachten eerst zelf via de filosofie in hun eigen heersende opvattingen zouden moeten wieden voordat ze met kinderen in gesprek kunnen gaan. Maar dan zegt Wassenberg: De filosofie overstijgt juist het conflict en breekt alles open. Een les over waarheid zorgt voor afstand van je eigen standpunt!

– Mbarki: Is filosofie dan religie vrij?
Dit is een mooie, filosofische vraag. Hier werd het volgende over gezegd:
Door een verschil in opvoeding vanuit cultuur ontstaan verschillen in opvattingen die het gesprek beïnvloeden.
Religie en culturele bagage beïnvloeden zeker wel het gesprek en de sfeer in de klas.
Als een religie onder vuur staat is het moeilijker je te uiten.
En betrek je het op jezelf als het over jouw religie gaat.
Dat zorgt voor een onveilige sfeer in de klas.
Deze vraag raakten de meeste gastsprekers en raakt ook actuele kwesties in de samenleving.
Maar Wassenberg reageert: “Een kind is een kind, wat voor cultuur en achtergrond dan ook, en is een volwaardig gesprekspartner.”

De vraag die daarop volgde:
Hoe creëer je veiligheid zodat iedereen hardop kan nadenken?
Want veiligheid creëren is erg belangrijk!
Maar iedereen is op een bepaalde manier gekleurd wat de betrokkenheid beïnvloedt.
Dit geldt voor elke les. Kun je als leerkracht wel neutraal zijn als je je vak uitoefent?

Criteria voor gespreksleiders filosoferen met kinderen

Vanuit de zaal roept iemand: er moeten criteria geformuleerd worden waar de gespreksleider aan moet voldoen om dit soort gesprekken te kunnen leiden.
Die zijn er. Je kunt jezelf scholen via allerlei opleidingen en trainingen en het liefst neemt iedereen hier kennis van voordat ze gaan filosoferen. Zo krijg je de tools in handen om ‘neutraal’ het gesprek in te gaan en minder te sturen, zoals vaak gebeurt in een filosofisch gesprek. Voor de rest is het een kwestie van durven en doen!

Conclusie: Filosofie moet je gewoon durven en doen!

Wassenberg benadrukt dat filosofie juist een manier is om op een veilige manier met elkaar in gesprek te treden. Misschien heeft filosofie juist een oplossendvermogen voor al die lastige lagen en vragen.

De tips die ik meeneem van deze avond zijn:
  • Leren goede vragen stellen is iets wezenlijks in alle beroepen en in elke situatie.
  • Ga filosoferen, wees niet bang, niemand weet hoe het gesprek precies hoort te gaan. 
Leer van elkaar en ontwikkel jezelf.
  • Wees moedig.
  • Persoonsvorming blijft belangrijk en is een essentieel onderdeel in het onderwijs!
  • Er moet meer gelobbyd worden in de politiek voor filosofie. Dat gebeurt nauwelijks en daar valt nog veel te winnen!

Graag had ik Wassenberg nog meer gehoord over de hoge ‘drempel’ die leerkrachten ervaren om aan de slag te gaan en in het filosofische diepe te springen. Vooral als meningen ver uit elkaar lijken te liggen. Is deze angst terecht? Of is dit een aanname?

Loop jij hier ook tegen aan of merk je dat deze onzekerheid ook speelt bij jou op school? En heb je de behoefte hier over te sparren? Neem dan contact met mij op, wellicht kan ik iets voor je betekenen.
Bel: 06-48973889 of mail naar: info@wijsgierigaagje.nl

Abonneer je op mijn blog

Recensie – Meneer Bork zoekt een woord (4+)

Meneer-Bork-zoekt-een-woordTheaterrecensie: Theatergroep Lange Mannen
– Meneer Bork zoekt een woord (4+). Gezien op 28 december 2016 in het OBA-theater in Amsterdam

Een ‘verwarrend’ leuke meedenkvoorstelling met rare vragen en waar geen woord te gek is.

‘Maar wat is een woord?
Waar is een woord dat er nog niet is?
En welk woord past bij hoe jij je voelt?’

Een aantal vragen waar Meneer Bork zoal mee worstelt als hij op een dag niet meer weet hoe hij zich voelt.
De dagen van Meneer Bork zijn voorspelbaar en hebben een vast ritme.
Elke gebeurtenis en ontmoeting is tijd en plaats gebonden. Getuige te zijn van deze dagelijkse herhalingen werkt op zich al op de lachspieren.

Totdat op een dag woorden en dingen Meneer Bork ineens verwarren.
Vanaf die dag is niks meer hetzelfde.
Hij haalt tijd en handelingen door elkaar en stelt zichzelf honderden vragen. Zo poetst hij zijn tanden ineens met de krant en stapt hij de deur uit met de verkeerde pet op. Heet zijn vogel in de boom een ‘Flapvliegding’ en vraagt hij aan de groenteboer of hij ‘frammelsap’ heeft. Omdat hij ‘appeldorstig’ is.

De meeste kinderen hebben het al snel door dat alles ineens anders gaat en willen Meneer Bork helpen.
Ze roepen door de zaal, waardoor sommige situaties een hilarisch ‘Jan Klaassen en Katrijn’ gehalte krijgen.

Het is duidelijk, Meneer Bork voelt zich raar en onbegrepen. Maar hoe hij zich voelt weet hij niet. Daarvoor gaat hij te rade bij de mensen die hij elke dag weer tegenkomt. Zijn alleenstaande en ‘verwarde’ buurvrouw (die stiekem ook wel een beetje verliefd op Bork is?), de postbode, de groenteboer en de vogel in zijn boom.  Ze proberen hem te helpen het goede woord te vinden. En dat is nog niet zo simpel.
Maar dan roept Meneer Bork de hulp in van de kinderen uit het publiek.

Kinderen denken samen met de acteurs na over vragen als ‘Wat zijn woorden?’, ‘Hoeveel woorden zijn er eigenlijk?’, ‘Waar vind je de woorden?’ en
‘Hoe noem je iets als je een woord ervoor niet weet?’
Dit ‘uit het spel stappen’, is tamelijk gedurfd en knap gedaan.
Het kan ook een struikelblok worden of onrust veroorzaken.
Maar dat is hier niet het geval.
En met een simpele denkoefening met het publiek wordt iedereen eerst in de denkstand gezet. Een goede zet, want iedereen doet mee.
Helaas durven niet veel kinderen mee te doen aan het gesprek, dat is blijkbaar nog even wennen. Waarschijnlijk zal dat bij schoolvoorstellingen beter gaan, dan worden de kinderen met een lesbrief in de klas voorbereid op de voorstelling (lesbrief is verkrijgbaar bij het gezelschap).
Maar de kinderen die wel hun vinger opsteken komen met ontroerende en opmerkelijke uitspraken.

Een gespreksfragment:

Q: ‘Wat is een woord?’
A:’Een woord is iets dat je kunt zeggen, bijvoorbeeld huis of bed’
‘Als je praat zeg je allemaal woorden’
‘Een woord is een heleboel letters achter elkaar’
Q: ‘Is alles wat je zegt een woord, bijvoorbeeld ‘brabbeltaal?’
A:’Ja, alles is een woord, maar niet alles betekent iets.
Een mooi woord vind ik: gegroet
Een lang woord is: vliegtuig’ (en dat is inderdaad een heel lang ding)
En zo worden er nog meer vragen onderzocht.

Op de dagen erna wordt de verwarring bij Meneer Bork alleen maar groter.
De vragen en nieuwe woorden blijven maar komen.
En de kinderen denken elke dag opnieuw mee op zoek naar het woord.

Q: ‘Waar zijn de woorden dan?
Liggen er misschien woorden onder het gras?’.
A: ‘Er liggen wormen en aarde onder het gras, dat zijn dus ook woorden’.

Q: ‘Liggen er woorden in de winkel?’
A: Ja, in een boekenwinkel.
Als je het koopt, zie je woorden in een boek, een woordenboek.

Q: ‘Is er eigenlijk een baas van al die woorden?’
A: ‘Nee, want alle woorden zijn van iedereen’.
‘Maar op school is dat de juf. Zij is de baas over alle woorden van de kinderen’.
‘Er is een baas, maar iedereen is verantwoordelijk voor zijn eigen woorden’.

Hier zie je dat kinderen met voorbeelden komen uit hun eigen leefwereld, al aardig goed hun gedachten kunnen verwoorden en creatief kunnen denken. Maar in deze setting mee doen aan de gesprekken, is voor de meeste jonge kinderen toch lastig. Daarvoor moet je denk ik iets meer ervaring hebben of wat ouder zijn dan vier jaar.
De vragen die door de acteurs gesteld worden zijn wel van filosofisch goede kwaliteit. Zo ook de manier van doorvragen. Ze prikkelen zeker je denken en je merkt dat er veel tijd aan is besteed. Waardoor de gesprekken en de voorstelling meer naar een filosofisch niveau getild worden. Maar om de betrokkenheid bij de gesprekken wat te vergroten, zou een spelworkshop ‘woorden verzinnen’ voorafgaand aan de voorstelling misschien een idee zijn (met scrabble of plakletters).

De kinderen mogen in de voorstelling zelf ook woorden verzinnen voor hoe Bork zich voelt. En dat is voor iedereen leuk!
Kinderen roepen van alles door de zaal: hallogie, boemboem, verliefderig, sjoetoeha. Maar het woord zit er helaas nog niet bij..

Q: ‘Maar hoe voelt Bork zich dan?’
A: ‘Nou, niet goed’, zegt een kind. De zaal moet lachen. Nee, dat is waar.

Maar is daar dan een woord voor?
Dan zegt een kind ‘hoonie’. En bij Meneer Bork verschijnt een glimlach op zijn gezicht. Dat is het woord dat hij zocht. Nu weet hij eindelijk hoe hij zich voelt..

Meneer Bork wordt gespeeld door Gustav Borreman en de verschillende personages die hij elke dag ontmoet worden gespeeld door Bente Jonker. Jonker heeft daar wel een uitdaging. Ze wisselt vliegensvlug van rol, wat soms wat verwarrend overkomt. Gustav Borreman speelt de onhandige, filosofisch dromerige maar sympathieke Bork. Een innemend en aandoenlijk personage die stuntelt met woorden en taal en almaar hulpelozer wordt. Het stuk speelt zich af in een eenvoudig maar speels decor. Het verrassende is de achterwand waar allemaal kleurrijke afbeeldingen op staan met daarachter openingen, en waar van alles in verdwijnt en uitgehaald wordt.

De tekst is geschreven door Mariëlle van Sauers. De filosofie doordacht door Rod Hageman. De speellijst vind je hier

Ondanks een kritische noot, is deze voorstelling absoluut het bezoeken waard! En kun je er ook thuis nog over door filosoferen of verder spelen met bijvoorbeeld scrabble. Waardering: (4/5)

– Vivienne Janssen

Abonneer je op mijn blog